Variabele: Wetgeving

Een verbetering voorstellen

Naam

Wetgeving

Afkorting

LEGISLATION

Thema

/

Definitie/omschrijving

De POD Maatschappelijke Integratie betaalt de OCMW's terug op basis van twee wettelijke bepalingen: de wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie van 26 mei 2002; de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

Met deze variabele wordt aangeduid onder welke van de 2 wetgevingen de terugbetaling valt.

Zie bijlage1 voor een overzicht van het recht op maatschappelijke integratie. Zie bijlage2 voor een overzicht van het recht op maatschappelijke hulp.

Bron

DWH_SPPIS_Paiements

Instelling

POD Maatschappelijke Integratie

Geldigheidsperiode

01/10/2002 - ∞

Meetniveau

Nominaal

Bijzonderheden/opmerkingen

Deze variabele laat toe om een onderscheid te maken tussen de personen die ressorteren onder de wetgeving over de maatschappelijke integratie en de personen die ressorteren onder de wetgeving over de maatschappelijke hulp.

Al de maatregelen die hier worden beschreven, zijn toegankelijk voor zowel de personen (en sinds 2005 voor hun partner) die gerechtigd zijn op de maatschappelijke integratie als de personen die in het vreemdelingenregister zijn ingeschreven (en sinds 2005 voor hun partner) en die gerechtigd zijn op maatschappelijke hulp. Zelfs indien de personen die in het wachtregister zijn ingeschreven van bepaalde maatregelen genieten, komen ze niet altijd in aanmerking voor een terugbetaling door de Staat; in dat geval komen ze niet voor in de PRIMA-gegevens.

De PRIMA-gegevens hebben immers enkel betrekking op de tussenkomsten van de OCMW's die recht kunnen geven op een terugbetaling door de Federale Staat. Alle andere tussenkomsten van de OCMW's die niet tot dit kader behoren, worden niet in PRIMA geïdentificeerd.

De toekenning van een leefloon of van een gelijkwaardige financiële steun, de toegang tot de verschillende tewerkstellingsbevorderende maatregelen, de maatregelen die een betere sociale integratie van de personen beogen, al deze maatregelen zijn op een soortgelijke wijze van toepassing op de gerechtigden van beide wetgevingen. De lijst van de variabelen die deze maatregelen beschrijven is echter niet identiek voor beide wetgevingen. Dit verklaart waarom sommige variabelen ofwel enkel voor de maatschappelijke hulp, ofwel enkel voor de maatschappelijke integratie worden ingevuld. Deze informatie staat in de rubriek " Bijzonderheden/opmerkingen " van de beschrijvende fiches van de verschillende variabelen.

Sommige betalingen (zoals de repatriëringskosten bijvoorbeeld) gelden echter enkel voor bepaalde categorieën van gerechtigden op de maatschappelijke steun.

Internationale compatibiliteit

/
Code Betekenis Geldigheidsperiode Opmerkingen
1 Leefloon 01/10/2002 - ∞
2 Maatschappelijke steun 01/10/2002 - ∞

Het recht op maatschappelijke integratie

Het recht op maatschappelijke integratie (RMI), geregeld door de wet van 26 mei 2002, heeft tot doel personen die niet over voldoende bestaansmiddelen beschikken zo volwaardig mogelijk te laten deelnemen aan het maatschappelijke en, indien mogelijk, professionele leven.

Het OCMW kan dit recht waarborgen door middel van drie instrumenten, die met elkaar kunnen worden gecombineerd:

  • een tewerkstelling;
  • een leefloon;
  • een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie (GPMI).

Een aangeboden tewerkstelling is een volwaardige, bezoldigde job waarop de regels van het arbeidsrecht van toepassing zijn. Wanneer een onmiddellijke tewerkstelling niet mogelijk is, kan de betrokkene een leefloon ontvangen, eventueel gekoppeld aan een GPMI.

Om recht te hebben op maatschappelijke integratie moet de betrokkene tegelijkertijd aan zes voorwaarden voldoen:

  1. Werkelijk en legaal in België verblijven. Een inschrijving in het bevolkingsregister is geen algemene voorwaarde.
  2. Meerderjarig zijn, dat wil zeggen minstens 18 jaar oud zijn. Bepaalde minderjarigen worden met meerderjarigen gelijkgesteld, namelijk een minderjarige die door het huwelijk ontvoogd is, een minderjarige met één of meer kinderen ten laste en een minderjarige die zwanger is.
  3. Behoren tot een van de wettelijk bepaalde categorieën: Belgen, bepaalde Unieburgers en hun familieleden, vreemdelingen die in het bevolkingsregister zijn ingeschreven, erkende staatlozen, erkende vluchtelingen en personen met de subsidiaire beschermingsstatus.
  4. Over ontoereikende bestaansmiddelen beschikken en niet in staat zijn die op eigen kracht of op een andere manier te verwerven. Het OCMW onderzoekt de bestaansmiddelen tijdens het sociaal onderzoek.
  5. Werkbereid zijn, tenzij dit om gezondheids- of billijkheidsredenen niet mogelijk is. Deze voorwaarde wordt beoordeeld op basis van de persoonlijke situatie van de betrokkene.
  6. Eerst zijn rechten op andere uitkeringen laten gelden, bijvoorbeeld op werkloosheidsuitkeringen, ziekte- of invaliditeitsuitkeringen, een pensioen of, in bepaalde gevallen, onderhoudsgeld. Het recht op maatschappelijke integratie vormt dus het laatste sociale vangnet.

De keuze tussen een tewerkstelling, een leefloon en een GPMI gebeurt in overleg met de betrokkene en heeft tot doel zijn autonomie en maatschappelijke integratie zoveel mogelijk te bevorderen.

Het GPMI is een schriftelijke overeenkomst tussen de rechthebbende en het OCMW. Het legt doelstellingen en stappen vast die aangepast zijn aan de persoonlijke situatie van de betrokkene. Er bestaan momenteel twee types:

  • het algemeen GPMI, dat doelstellingen kan bevatten op het vlak van maatschappelijke en professionele inschakeling, opleiding, gezondheid, huisvesting, administratieve begeleiding of voorbereiding op een tewerkstelling;
  • het GPMI inzake studies met een voltijds leerplan, bestemd voor jongeren onder de 25 jaar die studies aanvatten, hervatten of voortzetten om hun kansen op professionele inschakeling te vergroten.

Sinds de hervorming die op 1 november 2016 in werking trad, zijn de vroegere afzonderlijke opleidings- en tewerkstellingsprojecten opgenomen in het algemeen GPMI.

Het GPMI is onder meer verplicht voor personen die gedurende de drie voorafgaande maanden geen recht op maatschappelijke integratie hebben genoten. Deze verplichting geldt ook voor personen van 25 jaar of ouder. Het GPMI is eveneens verplicht voor jongeren onder de 25 jaar die studies met een voltijds leerplan volgen of een inschakelingstraject doorlopen dat op termijn tot een arbeidsovereenkomst moet leiden. Om gezondheids- of billijkheidsredenen kan van deze verplichting worden afgeweken.

Het recht op maatschappelijke hulp (Wet 65)

Het recht op maatschappelijke dienstverlening vindt zijn grondslag in de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de OCMW’s. Het heeft tot doel iedereen in staat te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.

De wet van 2 april 1965, de zogenaamde “wet 65”, bepaalt hoofdzakelijk welk OCMW bevoegd is en onder welke voorwaarden de federale Staat bepaalde toegekende hulp terugbetaalt, met name aan vreemdelingen.

Het recht op maatschappelijke dienstverlening is ruimer dan het recht op maatschappelijke integratie. Het is niet beperkt tot financiële hulp en is niet onderworpen aan een algemene leeftijds- of nationaliteitsvoorwaarde.

Rechthebbenden en toekenningsvoorwaarden

Maatschappelijke dienstverlening kan in principe worden toegekend aan een persoon die:

  1. werkelijk in België verblijft;
  2. legaal in België verblijft, behoudens de wettelijk bepaalde uitzonderingen;
  3. zich in een behoeftige toestand bevindt waardoor hij geen leven kan leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid;
  4. de nodige bestaansmiddelen niet op eigen kracht of door het laten gelden van zijn rechten op andere uitkeringen kan verkrijgen.

Het recht op maatschappelijke dienstverlening is immers een residuair recht. Het OCMW moet daarom nagaan op welke andere rechten en voordelen de betrokkene aanspraak kan maken en hem helpen om die rechten te laten gelden.

Tot de rechthebbenden kunnen onder meer behoren: personen die niet aan alle voorwaarden van het recht op maatschappelijke integratie voldoen, bepaalde vreemdelingen die in het vreemdelingenregister zijn ingeschreven en, in de wettelijk bepaalde situaties, bepaalde personen die in het wachtregister zijn ingeschreven. Een dergelijke inschrijving geeft echter niet automatisch recht op maatschappelijke dienstverlening. Het OCMW onderzoekt voor elke persoon afzonderlijk de verblijfsstatus, de bestaansmiddelen en de persoonlijke situatie.

Financiële hulp en tewerkstelling

Op het vlak van inkomen en tewerkstelling kan de maatschappelijke dienstverlening de volgende vormen aannemen:

  • financiële hulp gelijk aan het bedrag van het leefloon;
  • begeleiding naar de arbeidsmarkt;
  • een tewerkstelling met toepassing van artikel 60, § 7, of artikel 61 van de organieke wet van 8 juli 1976;
  • activeringsmaatregelen of maatregelen voor maatschappelijke en professionele inschakeling.

Het OCMW bepaalt op basis van het sociaal onderzoek welke hulp het meest geschikt is. Het doel is de betrokkene voldoende bestaansmiddelen te garanderen en, wanneer zijn situatie dit toelaat, zijn toegang tot de arbeidsmarkt en zijn zelfstandigheid te bevorderen.

GPMI voor begunstigden van tijdelijke bescherming

Begunstigden van tijdelijke bescherming — voornamelijk uit Oekraïne ontheemde personen — ontvangen financiële maatschappelijke hulp en geen leefloon. Wanneer hun financiële hulp wordt toegekend, kan het OCMW die hulp koppelen aan een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie (GPMI).

Dit GPMI kan onder meer betrekking hebben op het leren van een van de landstalen, het volgen van een opleiding, de inschrijving als werkzoekende of andere stappen die de toegang tot de arbeidsmarkt bevorderen. Het wordt aangepast aan de situatie en de mogelijkheden van de betrokkene.

In tegenstelling tot bepaalde situaties binnen het recht op maatschappelijke integratie is het afsluiten van dit GPMI niet automatisch verplicht. Aangezien het statuut van tijdelijke bescherming de betrokkene toestaat te werken, moet zijn werkbereidheid wel worden onderzocht, behalve wanneer dit om gezondheids- of billijkheidsredenen niet mogelijk is.