Variabele: Gegroepeerde feitelijke situatie van de hoofdbegunstigde

Een verbetering voorstellen

Naam

Gegroepeerde feitelijke situatie van de hoofdbegunstigde

Afkorting

realfamily_g_status_id

Thema

Maatschappelijke integratie

Definitie/omschrijving

De variabele "Gegroepeerde feitelijke situatie" is een afgeleide variabele die een samenvatting vormt van:

  • de wettelijke categorie (A, B, E);
  • de feitelijke situatie (of werkelijke leefsituatie);
  • de aanwezigheid van een partner.

Bron

DWH_SPPIS_Paiements

Instelling

POD Maatschappelijke Integratie

Geldigheidsperiode

01/01/2025 - ∞

Meetniveau

Nominaal

Bijzonderheden/opmerkingen

/

Internationale compatibiliteit

/

Code Betekenis Geldigheidsperiode Opmerkingen
A Samenwonend - onbekend partner 01/01/2025 - ∞
A - Duo Samenwonend - met partner 01/01/2025 - ∞
A - Mono Samenwonend - zonder partner 01/01/2025 - ∞
A - Sans-a Dakloze (bedrag alleenstand maar feitelijk samenwonend - met GPMI) 01/01/2025 - ∞
B Alleenstaand 01/01/2025 - ∞
E Gezin ten laste - onbekend partner 01/01/2025 - ∞
E - Duo Gezin ten laste - met partner 01/01/2025 - ∞
E - Mono Gezin ten laste - zonder partner 01/01/2025 - ∞
ZZ Onbekend 01/01/2025 - ∞

Het recht op maatschappelijke integratie

Het recht op maatschappelijke integratie (RMI), geregeld door de wet van 26 mei 2002, heeft tot doel personen die niet over voldoende bestaansmiddelen beschikken zo volwaardig mogelijk te laten deelnemen aan het maatschappelijke en, indien mogelijk, professionele leven.

Het OCMW kan dit recht waarborgen door middel van drie instrumenten, die met elkaar kunnen worden gecombineerd:

  • een tewerkstelling;
  • een leefloon;
  • een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie (GPMI).

Een aangeboden tewerkstelling is een volwaardige, bezoldigde job waarop de regels van het arbeidsrecht van toepassing zijn. Wanneer een onmiddellijke tewerkstelling niet mogelijk is, kan de betrokkene een leefloon ontvangen, eventueel gekoppeld aan een GPMI.

Om recht te hebben op maatschappelijke integratie moet de betrokkene tegelijkertijd aan zes voorwaarden voldoen:

  1. Werkelijk en legaal in België verblijven. Een inschrijving in het bevolkingsregister is geen algemene voorwaarde.
  2. Meerderjarig zijn, dat wil zeggen minstens 18 jaar oud zijn. Bepaalde minderjarigen worden met meerderjarigen gelijkgesteld, namelijk een minderjarige die door het huwelijk ontvoogd is, een minderjarige met één of meer kinderen ten laste en een minderjarige die zwanger is.
  3. Behoren tot een van de wettelijk bepaalde categorieën: Belgen, bepaalde Unieburgers en hun familieleden, vreemdelingen die in het bevolkingsregister zijn ingeschreven, erkende staatlozen, erkende vluchtelingen en personen met de subsidiaire beschermingsstatus.
  4. Over ontoereikende bestaansmiddelen beschikken en niet in staat zijn die op eigen kracht of op een andere manier te verwerven. Het OCMW onderzoekt de bestaansmiddelen tijdens het sociaal onderzoek.
  5. Werkbereid zijn, tenzij dit om gezondheids- of billijkheidsredenen niet mogelijk is. Deze voorwaarde wordt beoordeeld op basis van de persoonlijke situatie van de betrokkene.
  6. Eerst zijn rechten op andere uitkeringen laten gelden, bijvoorbeeld op werkloosheidsuitkeringen, ziekte- of invaliditeitsuitkeringen, een pensioen of, in bepaalde gevallen, onderhoudsgeld. Het recht op maatschappelijke integratie vormt dus het laatste sociale vangnet.

De keuze tussen een tewerkstelling, een leefloon en een GPMI gebeurt in overleg met de betrokkene en heeft tot doel zijn autonomie en maatschappelijke integratie zoveel mogelijk te bevorderen.

Het GPMI is een schriftelijke overeenkomst tussen de rechthebbende en het OCMW. Het legt doelstellingen en stappen vast die aangepast zijn aan de persoonlijke situatie van de betrokkene. Er bestaan momenteel twee types:

  • het algemeen GPMI, dat doelstellingen kan bevatten op het vlak van maatschappelijke en professionele inschakeling, opleiding, gezondheid, huisvesting, administratieve begeleiding of voorbereiding op een tewerkstelling;
  • het GPMI inzake studies met een voltijds leerplan, bestemd voor jongeren onder de 25 jaar die studies aanvatten, hervatten of voortzetten om hun kansen op professionele inschakeling te vergroten.

Sinds de hervorming die op 1 november 2016 in werking trad, zijn de vroegere afzonderlijke opleidings- en tewerkstellingsprojecten opgenomen in het algemeen GPMI.

Het GPMI is onder meer verplicht voor personen die gedurende de drie voorafgaande maanden geen recht op maatschappelijke integratie hebben genoten. Deze verplichting geldt ook voor personen van 25 jaar of ouder. Het GPMI is eveneens verplicht voor jongeren onder de 25 jaar die studies met een voltijds leerplan volgen of een inschakelingstraject doorlopen dat op termijn tot een arbeidsovereenkomst moet leiden. Om gezondheids- of billijkheidsredenen kan van deze verplichting worden afgeweken.

Het recht op maatschappelijke hulp (Wet 65)

Het recht op maatschappelijke dienstverlening vindt zijn grondslag in de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de OCMW’s. Het heeft tot doel iedereen in staat te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.

De wet van 2 april 1965, de zogenaamde “wet 65”, bepaalt hoofdzakelijk welk OCMW bevoegd is en onder welke voorwaarden de federale Staat bepaalde toegekende hulp terugbetaalt, met name aan vreemdelingen.

Het recht op maatschappelijke dienstverlening is ruimer dan het recht op maatschappelijke integratie. Het is niet beperkt tot financiële hulp en is niet onderworpen aan een algemene leeftijds- of nationaliteitsvoorwaarde.

Rechthebbenden en toekenningsvoorwaarden

Maatschappelijke dienstverlening kan in principe worden toegekend aan een persoon die:

  1. werkelijk in België verblijft;
  2. legaal in België verblijft, behoudens de wettelijk bepaalde uitzonderingen;
  3. zich in een behoeftige toestand bevindt waardoor hij geen leven kan leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid;
  4. de nodige bestaansmiddelen niet op eigen kracht of door het laten gelden van zijn rechten op andere uitkeringen kan verkrijgen.

Het recht op maatschappelijke dienstverlening is immers een residuair recht. Het OCMW moet daarom nagaan op welke andere rechten en voordelen de betrokkene aanspraak kan maken en hem helpen om die rechten te laten gelden.

Tot de rechthebbenden kunnen onder meer behoren: personen die niet aan alle voorwaarden van het recht op maatschappelijke integratie voldoen, bepaalde vreemdelingen die in het vreemdelingenregister zijn ingeschreven en, in de wettelijk bepaalde situaties, bepaalde personen die in het wachtregister zijn ingeschreven. Een dergelijke inschrijving geeft echter niet automatisch recht op maatschappelijke dienstverlening. Het OCMW onderzoekt voor elke persoon afzonderlijk de verblijfsstatus, de bestaansmiddelen en de persoonlijke situatie.

Financiële hulp en tewerkstelling

Op het vlak van inkomen en tewerkstelling kan de maatschappelijke dienstverlening de volgende vormen aannemen:

  • financiële hulp gelijk aan het bedrag van het leefloon;
  • begeleiding naar de arbeidsmarkt;
  • een tewerkstelling met toepassing van artikel 60, § 7, of artikel 61 van de organieke wet van 8 juli 1976;
  • activeringsmaatregelen of maatregelen voor maatschappelijke en professionele inschakeling.

Het OCMW bepaalt op basis van het sociaal onderzoek welke hulp het meest geschikt is. Het doel is de betrokkene voldoende bestaansmiddelen te garanderen en, wanneer zijn situatie dit toelaat, zijn toegang tot de arbeidsmarkt en zijn zelfstandigheid te bevorderen.

GPMI voor begunstigden van tijdelijke bescherming

Begunstigden van tijdelijke bescherming — voornamelijk uit Oekraïne ontheemde personen — ontvangen financiële maatschappelijke hulp en geen leefloon. Wanneer hun financiële hulp wordt toegekend, kan het OCMW die hulp koppelen aan een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie (GPMI).

Dit GPMI kan onder meer betrekking hebben op het leren van een van de landstalen, het volgen van een opleiding, de inschrijving als werkzoekende of andere stappen die de toegang tot de arbeidsmarkt bevorderen. Het wordt aangepast aan de situatie en de mogelijkheden van de betrokkene.

In tegenstelling tot bepaalde situaties binnen het recht op maatschappelijke integratie is het afsluiten van dit GPMI niet automatisch verplicht. Aangezien het statuut van tijdelijke bescherming de betrokkene toestaat te werken, moet zijn werkbereidheid wel worden onderzocht, behalve wanneer dit om gezondheids- of billijkheidsredenen niet mogelijk is.